Het begin van een nieuwe pagina in de oorspronkelijke publicatie en de pagina's waarop de illustraties voorkomen worden aangegeven in blauw. Dit maakt het citeren van de oorspronkelijke publicatie mogelijk.

 

pagina 178>> 

Westerheem 64, 2015, blz. 178-188.

De bewaakte rivier door niemandsland: het West-Nederlandse limesgebied aan het eind van de 3e eeuw

Antony Kropff 1

Zo’n dertig jaar geleden beschreef Van Es, hoe de Romeinse limes in ons land ten onder ging: “Omstreeks 270 stort niet alleen het Zeeuwse kustverdedigingssysteem in, maar de hele Nederlandse limes-sector geeft de geest. Het rivierengebied en het Scheldegebied worden overstroomd door Franken, Friezen en aanverwant gespuis. De limesperiode is voorbij”.2

We onderzoeken aan de hand van de resultaten van recente opgravingen of dit scenario -dat nog steeds gangbaar is- klopt.

We zullen zien dat de limes in Nederland in de 3e eeuw niet instortte. De limes veranderde wel ingrijpend: het was niet langer een verdedigbare grens, maar een bewaakte infrastructuur.

 

Het lijkt op zich voor de hand te liggen, een gewelddadig einde van de limes in ons land aan te nemen. We weten dat de castella tussen de afsplitsing van de Waal en de kust uiterlijk in 275 n. Chr. door de reguliere bezetting zijn verlaten. Ook in recente studies wordt aangenomen, dat een grote inval door de Franken hier de oorzaak van was.3 Een Frankeninval is inderdaad uitvoerig beschreven in de bronnen uit die tijd, maar we moeten dan wťl bedenken dat de Rijn werd overgestoken tussen Straatsburg en Mainz. In GalliŽ werden grote verwoestingen aangericht.4
Maar wat gebeurde er in ons land? Dit deel van het Romeinse Rijk was geen voor de hand liggend aanvalsdoel. Er viel geen rijke buit te halen en de route naar het welvarende hart van GalliŽ -een geikelijk doel bij invallen- zou vanuit het Nederlandse rivierengebied onnodig lang zijn geweest.5 Opvallend is, dat in de Nederlandse castella geen uniforme brand- of verwoestingslaag wordt gevonden.6
Aan de andere kant: de muntreeksen in de meeste castella in het westelijk deel van het Nederlandse rivierengebied braken na 270-275 n. Chr. of al veel eerder wťl definitief af; alleen in De Meern en Woerden zien we na 275 n. Chr. muntverlies.
De muntreeksen van sommige castella en nederzettingen in het oosten van het Nederlands rivierengebied breken niet definitief af maar vertonen een hiaat tussen 274 en 317 n. Chr. waarna het muntverlies weer toeneemt, bijvoorbeeld in Grave, Cuijk, Maurik, Nijmegen, Heerlen en Maastricht.7 Dit hiaat behoeft niet veroorzaakt te zijn door een hiaat in de bezetting of bewoning, want het gat in de muntreeks zien we bijvoorbeeld ook in Engeland, waar de continuïteit beslist niet werd bedreigd. Het hiaat hangt samen met de muntcirculatie in het westen van het rijk: munten van de keizers die regeerden tussen 274 n. Chr. en de Constantijnse periode kwamen niet of nauwelijks naar het westen van het Rijk waartoe we BrittanniŽ, GalliŽ, de beide Germania’s en Spanje rekenen.8 Op de oorzaak daarvan komen we nog terug.

In een eerdere publicatie hebben we onder andere op grond van de overeenkomsten tussen de histogrammen van BrittanniŽ en de histogrammen uit het oostelijk rivierengebied verondersteld, dat er in enkele castella en nederzettingen

pagina 179>> 

in dat laatste gebied rekening gehouden moet worden met continuïteit van bewoning gedurende het eind van de  3e eeuw en het begin van de 4e eeuw.9 Inmiddels worden deze numismatische bevindingen gezien als ondersteuning van het idee, dat er in het zuiden en oosten van ons land inderdaad sprake kan zijn geweest van continuïteit.10
Niettemin: in het westen lijkt er aan het einde van de 3e eeuw op het eerste gezicht wťl een einde te komen aan de Romeinse aanwezigheid. Bovendien weten we dat gedurende de tweede helft van de 3e eeuw de bevolkingsdichtheid van het westelijk rivierengebied sterk daalde, tot naar schatting 10% van het oorspronkelijke aantal.11 Deze ontvolking is toegeschreven aan de “steeds verder doorzettende desintegratie van het Romeinse Rijk”.12 We zullen later zien, dat er iets anders aan de hand was.

 

Val van westelijke limes waarschijnlijk?

 

Zou het inderdaad zo kunnen zijn, dat de Romeinen de controle over het westen van het rivierengebied (en dus over de benedenloop van de Rijn) volledig verloren als gevolg van invallen? We onderzoeken eerst welke omstandigheden daar tegen pleiten.

 

Handel tussen BrittanniŽ en het Rijnland

 

De tweede helft van de 3e eeuw is lang gezien als een periode van algemene economische neergang, maar dat beeld moet worden bijgesteld. Elke provincie maakte in die periode een eigen, afzonderlijke economische ontwikkeling door.13 In BrittanniŽ was die ontwikkeling redelijk tot goed.14 Zo verbeterde de textielproductie zowel kwantitatief als kwalitatief.15 Ook de landbouw ontwikkelde zich positief: in de late 3e- en vroege 4e eeuw werden veel nieuwe villae gebouwd.16

Ondanks de Frankeninval bloeide het gebied rond Keulen en Trier.17 Er was handel tussen BrittanniŽ en het Rijnland tijdens het laatste deel van de derde eeuw en tijdens de 4e eeuw, zij het op beperkter schaal. Deze handelscontacten kunnen in beeld worden gebracht aan de hand van aardewerk. Aardewerk is meestal goed te dateren en aan een productiegebied toe te wijzen; anders dan exportproducten als graan, textiel, wol en andere grondstoffen wordt aardewerk bij iedere opgraving in ruime hoeveelheden gevonden.
Romeins BrittanniŽ importeerde onder andere wijn, olijfolie en aardewerk, dat laatste tijdens deze periode vooral uit Noord-GalliŽ en de Eiffel.18 Het 3e- en 4e-eeuwse aardewerk uit de Eiffel dat in BrittanniŽ wordt gevonden, het zogenaamde Mayen-aardewerk, zal deel hebben uitgemaakt van de retourvracht na graantransporten naar het continent.19 Aardewerk was een ‘gatenvuller’ bij andere handelsgoederen.
BrittanniŽ exporteerde naast o.a. wol, textiel en grondstoffen opmerkelijk genoeg op zijn beurt zelf ook aardewerk, de ‘British ware’ uit de onderzochte periode. Het wordt onder andere gevonden in het Nederlandse rivierengebied en in noordwest GalliŽ.20

Niet alleen de ‘British ware’ maar ook de horrea uit de 4e eeuw in Valkenburg (waarover later meer) getuigen van de graantransporten uit BrittanniŽ.21

Omdat de Rijn een onmisbare corridor tussen BrittanniŽ en het Rijnland vormde, zal het Romeinse gezag er alles aan hebben gedaan om de controle over de rivier te behouden, ook in de 3e en de 4e eeuw.22 Hoe het Romeinse gezag dat aanpakte, bespreken we verderop.

 

Ontvolking en vernatting

 

De dramatische teruggang van de bevolking in het westelijk limesgebied aan het einde van de 3e eeuw wordt wel toegeschreven aan de desintegratie van het Romeinse Rijk door invallen, maar het is waarschijnlijker dat de vernatting van het gebied de oorzaak was.23 Deze vernatting werd vermoedelijk veroorzaakt door grootschalige ontginning in het veengebied waardoor de bodem op den duur inklonk en oxideerde. Daarnaast slibden kreken dicht (o.a. in het huidige Westland) waardoor het achterland problemen kreeg met de ontwatering.24

pagina 180>> 

Haardplaatsen werden opgehoogd, een nieuw gebouwd hypocaustum werd nooit gestookt en slootstelsels werden uitgebreid.25 Veel landbouwgebied ging verloren, onder andere in Midden-Delfland.26

Aan deze vernatting in de 3e eeuw waren overstromingen van de Rijn vooraf gegaan vanaf het midden van de 2e eeuw, met als gevolg erosie en sedimentatie. Als gevolg daarvan moest op een aantal plaatsen aan de Rijn grond worden opgebracht, onder andere in het vicusgebied van het castellum in Utrecht, in de castella van Woerden en Alphen aan den Rijn en in de nederzetting Valkenburg-De Woerd.27

Aangezien we op veel plaatsen sporen van vernatting en wateroverlast vinden en geen sporen van verwoesting, mogen we aannemen dat het opgeven van castella rond 275 n. Chr. in het westen veroorzaakt is door wateroverlast, niet door invallen en militaire druk. Overigens werd niet het hele westelijke gebied tussen Rijn en Helinium aan het eind van de 3e eeuw onbewoonbaar door de vernatting: langs de Rijn bleven gedeelten van de door de rivier gevormde oeverwal onaangetast en ook de strandwallen bleven bruikbaar.28

 

Voortgezet gebruik?

 

Uit gegevens van recente opgravingen blijkt, dat op een aantal plaatsen aan de Rijn na 275 n. Chr. nog activiteit is geweest. Soms blijkt dat ook al uit oudere gegevens, waarop we ook soms teruggrijpen. Zie voor snelle oriŽntatie afb.1, een kaartje van het limessegment in ons land.

kaartje limes afb 1 augustus 2015

Afb.1 Nederlands limes- segment (bron: www.livius.org)

2. Katwijk 9. Woerden
3. Valkenburg 10. De Meern
5. Leiden- Roomburg 11. Utrecht
6. Alphen aan den Rijn 14. Maurik
7. Zwammerdam 24. Cuijk

          

 

In een eerdere publicatie hebben we vooral de castella ten oosten van Utrecht (Traiectum) aan de orde gesteld29; nu kijken we alleen naar Utrecht en het gebied ten westen daarvan.

 

Utrecht - Traiectum

 

Het castellum onder het Domplein ligt op circa 1,5 meter boven zeeniveau. Er is al vanaf 1929 gegraven door Van Giffen. Er is in dit pre-detector tijdperk slechts een beperkt aantal munten gevonden waaruit geen gebruik na 275 n. Chr. blijkt. Late bouwsporen ontbreken eveneens, maar opvallend genoeg zijn wel gebruiksvoorwerpen uit de 4e eeuw gevonden en tientallen potscherven uit die tijd.30

Er zijn dus kennelijk laat-Romeinse activiteiten geweest, maar aard en omvang blijven onbekend.

pagina 181>> 

Vleuten-De Meern

 

Op het terrein van het castellum op de Hoge Woerd (dat ongeveer drie meter boven de directe omgeving uitsteekt) zijn alleen wat kleine opgravingen uitgevoerd zodat nog veel onbekend blijft. Door Fleur Kemmers is een uitgebreide analyse gepubliceerd van de 745 munten van de site, grotendeels gevonden door een aantal detector-amateurs.31 Er zijn 31 4e-eeuwse munten gevonden, wat een opmerkelijk aantal is vergeleken met andere West-Nederlandse castellum terreinen. De cluster munten uit de 4e eeuw langs de noordelijke uitvalsweg is volgens Kemmers een duidelijke aanwijzing voor militaire bezetting in die periode.32

De muntvondsten worden hier weergegeven in een histogram (zie fig.1).

 

histogram de Meern aug 2015

Fig.1 Munthistogram castellum De Meern.

 

Dit histogram geeft het gewogen muntverlies per periode.33 Het aantal gevonden munten uit een (groep van) regeringsperiode(n) wordt gedeeld door het aantal jaren dat de periode omvat. De nu berekende waarde wordt vermenigvuldigd met een factor 1.000 en vervolgens gedeeld door het totale aantal munten dat op de site is gevonden. Het nu berekende jaarlijkse verlies per 1.000 munten wordt weergegeven is een staafdiagram, zodat een snelle onderlinge vergelijking van sites mogelijk wordt. De periodenummers op de x-as en de (bronnen van) de gebruikte munten worden in detail toegelicht in de uitgebreide online versie van dit verhaal. In het kader van deze bijdrage hoeft u nu alleen te weten dat de perioden 13 tot en met 17 de post-Severische tijd omvatten (235-260 n. Chr.). Periode 18 is de tijd van het Gallische Rijk (260-274). De resterende perioden vindt u in het volgende staatje.

 

no.

periode

tijdvak

19

Pannonisch-Illyrisch (Aurelianus-Diocletianus)

274-296

20

Tetrarchie (Diocletianus, Maximianus, Const. Chlorus, Galerius, Constantinus I)

296-317

21

Constantijns I (Constantinus I, Licinius)

317-330

22

Constantijns II (Constantinus I, Constantinus II, Constans, Constantius II)

330-348

23

Constantijns III (Constantius II, Magnentius, Julianus)

348-364

24

Valentiniaans (Val I, Valens, Gratianus)

364-378

25

Theodosisch I (Gratianus, Theodosius I, Magnus Maximus)

378-388

26

Theodosisch II (Theodosius I, Honorius, Arcadius)

388-402

 

Munten van de republiek en ongedetermineerde munten zijn buiten beschouwing gelaten. Als de castella en nederzettingen zijn besproken, worden de histogrammen vergeleken en geanalyseerd.

 

Woerden - Laurium

 

Het castellum-terrein op de Hoge Woerd (ook wel Hoochwoert) ligt op 2,4 meter boven het zeeniveau. Het histogram (fig.2) laat zien dat er munten uit de 4e eeuw zijn gevonden, de jongste voor Theodosius (379-395 n. Chr.).34 Hieruit blijkt, dat er in de 4e eeuw activiteit op het castellum-terrein is geweest.

pagina 182>> 

histogram Woerden fig 2 aug 2015

Fig.2 Munthistogram castellum Woerden.

 

Castella zonder late activiteit

 

Als we de Rijn stroomafwaarts verder volgen, komen we in het natte veengebied drie castella tegen waar geen sporen van bezetting of gebruik na 275 n. Chr. zijn gevonden. Allereerst Zwammerdam (Nigrum Pullum) dat rond 275 n. Chr. waarschijnlijk door brand verloren ging.35 Aangezien deze brandsporen in dit gebied een geïsoleerd fenomeen zijn, zal het gaan om een incidentele brand.

Ook Alphen aan den Rijn36 (Albaniana) en Leiden-Roomburger polder (Matilo) vertonen geen sporen van activiteiten na 275 n. Chr.

 

Valkenburg - Praetorium Agrippinae

 

Er wordt aangenomen dat het castellum Valkenburg rond 260-275 n. Chr. werd opgegeven, maar in de 4e eeuw zijn nog twee horrea gebouwd. De muntvondsten suggereren zelfs een einde na de regeringsperiode van Elagabalus (217-222 n. Chr.). Ander vondstmateriaal uit de tweede helft van de 3e eeuw ontbreekt overigens ook, wat een hiaat laat ontstaan tot het moment van (her)gebruik in de 4e eeuw. Uit dendrochronologische datering blijkt, dat ťťn van de horrea kort na 316 n. Chr. kan zijn gebouwd, maar waarschijnlijk later in de 4e eeuw. In ieder geval is er aan een horreum nog een reparatie uitgevoerd na 365 n. Chr. Een reguliere militaire bezetting in de 4e eeuw nemen de opgravers niet aan, een gebruik als overslaghaven, c.q. opslagplaats in verband met graantransporten vanuit BrittanniŽ zou wel mogelijk zijn. Maar volgens ons zou het castellum in de 4e eeuw nog een beperkte militaire functie kunnen hebben gehad: uit het dendrochronologisch onderzoek bleek ook, dat na 346 en 354 n. Chr. nog reparaties zijn uitgevoerd aan de zuidmuur van de principia.37

 

Katwijk-De Brittenburg - Lugdunum

 

De resten van het castellum van Katwijk, Lugdunum, liggen voor de kust op de zeebodem en zijn, voor zover nog aanwezig, tot op heden niet teruggevonden. Een poging tot interpretatie moet gebaseerd zijn op afbeeldingen die na het vrijspoelen in 1520 in de loop van de tijd zijn gemaakt. Ze laten een vierkant grondplan zien, een buitenste verdedigingsmuur met (deels dubbele) halfronde torens en een rechthoekig gebouw in het midden (zie afb.2).

 

afb.2 Katwijk de Brittenburg Ortelius aug 2015

Afb.2 Katwijk- De Brittenburg, detail van ets door Ortelius, 1581.

 

De meest gangbare interpretatie is, dat het hier inderdaad om een castellum gaat, met een kennelijk 4e-eeuws horreum binnen de muren. Katwijk-De Brittenburg zou dan in de 4e eeuw de functie van bewaakte graanopslagplaats kunnen hebben gehad, te vergelijken met de laatste gebruiksfase van het castellum van Valkenburg.

 

Katwijk-Zanderij

 

De Romeinse nederzetting op de locatie Katwijk-Zanderij Westerbaan ligt op een stabiele zandondergrond op enige afstand van de Rijnmonding, dus op die plek was waarschijnlijk geen wateroverlast of extreme vernatting.38 Het onderzoekteam stelt een bewoningsduur voor van 40-250 n. Chr. De einddatum wordt in het rapport in verband gebracht met “de Germaanse invallen” in de limeszone en de daarop volgende “sociaal-economische ontwrichting”. En toch zijn er na 250 n. Chr. geproduceerde munten op de site gevonden, zie het histogram (fig.3).

 

Histogram Katwijk Zanderrij fig 3 aug 2015

Fig.3 Munthistogram Katwijk- Zanderij.

 

Omdat aardewerk en ander vondstmateriaal uit de 4e eeuw

pagina 183>> 

ontbreekt, hebben de auteurs moeite met het interpreteren van de munten die tussen 307 en 388 n. Chr. zijn geslagen.39 Er zou volgens het rapport verband kunnen zijn met 4e-eeuwse activiteit op de site, maar de munten zouden ook pas in de 5e of 6e eeuw verloren kunnen zijn.40 Dat laatste is niet aannemelijk gezien de muntcirculatie in het Nederlandse rivierengebied.41

De munten wijzen in feite op 4e-eeuwse activiteiten. De munten laten verder zien, dat er in de 4e eeuw nog militairen in het West-Nederlandse limessegment actief waren. Nieuwe munten werden in de Romeinse tijd namelijk uitsluitend door het leger ten behoeve van het leger in omloop gebracht en niet zoals tegenwoordig ten behoeve van het economisch verkeer en ‘de markt’ in brede zin. Als het leger ergens verdween, dan hield de toevoer van nieuwe munten eenvoudigweg op.42 We komen hierop nog terug.

 

De muntcirculatie, eind 3e eeuw

 

De histogrammen moeten worden beoordeeld in de context van de muntcirculatie van het Nederlandse rivierengebied, die rond 260 n. Chr. begon af te wijken van de circulatie in het centrale deel van het Rijk.43 Ons gebied maakte van 260 tot 274 n. Chr. deel uit van het onafhankelijke Gallische Rijk van de usurpator Postumus en zijn opvolgers. Toen gouverneur Postumus in 260 n. Chr. de macht greep, waren er geen fundamentele verschillen tussen de muntcirculatie in het toen ontstane Gallische Rijk enerzijds en bijvoorbeeld de Balkan of Noord-ItaliŽ anderzijds. Nadat Postumus in zijn onafhankelijke rijk een eigen muntproductie startte, begonnen diens munten -en later die van zijn opvolgers- de circulatie in het Gallische Rijk te domineren.44

Tussen 260 en 274 kwamen relatief weinig munten van de legitieme keizers uit die periode (Gallienus en Claudius II) naar het Gallische Rijk. Deze munten kwamen pas met vertraging in forse aantallen naar het westen na het eind van dat rijk in 274 n. Chr. Daarna bleven deze munten tot rond 294 n. Chr. een belangrijke component in de geldcirculatie van het westen. Daarnaast waren ook de munten van de laatste Gallische heersers, Tetricus I en II (en de ‘barbaarse’ nabootsingen daarvan) in het westen van belang tot plm. 280-282 n. Chr.45

De munten die door Aurelianus en zijn opvolgers tussen 274 en 317 n. Chr. (periode 19 en 20 van de histogrammen) werden geslagen, drongen, zoals gezegd, in het westen nauwelijks door: deze munten zijn (heel) schaars in het Nederlandse rivierengebied. In het centrale en oostelijke deel van het rijk waren deze munten wel volop in omloop.
De afwijkende samenstelling van de

pagina 184>> 

muntcirculatie vormt de verklaring voor het ‘gat’ tussen 274 en 317 n. Chr. in de westelijke histogrammen; het is niet nodig de oorzaak te zoeken in invallen en een breuk in de Romeinse continuïteit. Het ‘gat’ in de histogrammen wordt uiteindelijk veroorzaakt door het feit dat de munthervorming door Aurelianus in het westen mislukte, waarschijnlijk ook door logistieke problemen.46

 

We vergelijken de histogrammen

 

We bekijken nu de histogrammen van twee nederzettingen in het Nederlandse oostelijke rivierengebied met sterke aanwijzingen voor Romeinse continuïteit, Cuijk (fig.4) en Maurik (fig.5).

 

histogram Cuijk fig 4 aug 2015

Fig.4 Munthistogram Cuijk .

histogram Maurik fig 5 aug 2015

Fig. 5 Munthistogram Maurik.

 In de histogrammen van Cuijk en Maurik weerspiegelt het ontbreken van munten van periode 19 (274-294), het kleine aantal munten voor periode 20 (296-317), het lichte herstel voor periode 21 (317-330) en de forse toename van het muntverlies voor periode 22 (330-348) niet per definitie een breuk in de continuïteit, maar de hierboven geschetste ontwikkeling van de muntomloop. Wat betreft periode 19 tot en met 22 lijken beide histogrammen sterk op elkaar. De histogrammen van Vleuten-De Meern (fig.1), Woerden (fig.2) en Katwijk-Zanderij (fig.3) laten Romeinse activiteit na 274 zien, maar geen volledige continuïteit van bezetting. Het histogram van Katwijk-Zanderij zit nog het meest bij de histogrammen van Cuijk en Maurik in de buurt, wat betreft periode 19 tot en met 22.

 

Het Romeinse Rijk, een flexibel systeem

 

De periode na 275 n. Chr. wordt doorgaans gezien als een tijd van crisis47, maar er is ook kritiek op het crisismodel. Witschel benadrukte dat het Romeinse Rijk als geheel niet in crisis was, maar dat er wel veel veranderingen kwamen om aan de problemen van die tijd het hoofd te kunnen bieden. Ook maakte Witschel bij zijn beoordeling van de situatie onderscheid naar provincie en naar soort menselijke activiteit (“Lebensbereiche”).

Rond 275 n. Chr. was bijvoorbeeld de situatie in BrittanniŽ over het algemeen goed, terwijl Noord-GalliŽ geheel ontwricht raakte.

Wat de verschillende “Lebensbereiche” betreft stelt Witschel bijvoorbeeld vast, dat de politiek-militaire situatie in een bepaalde streek sterk kan veranderen, terwijl de sociaal-economische structuren nog een tijd intact bleven.48

Een markant voorbeeld zijn de Agri Decumates, het gebied rechts van de Rijn in het Boven Germaans-Rhaetische limesgebied (ongeveer het huidige Baden-WŁrttemberg). Men ging er lang van uit dat de limes in dit gebied in 260 onder de druk van invallen ‘viel’ en dat het gebied in dat jaar door de Germanen werd veroverd. Dat blijkt niet te kloppen: de castella in dit

pagina 185>> 

gebied werden om intern-politieke redenen in 260 ordelijk en zonder strijd ontruimd, maar de geromaniseerde provinciale bevolking leefde gedurende de laatste decennia van de 3e eeuw gewoon door zoals men gewend was. De Alemannen namen het gebied pas in de 4e eeuw in bezit.49

Een vergelijkbare situatie zien we in DaciŽ, dat in 271 n. Chr. door het leger werd ontruimd om het Donaufront te stabiliseren. Hoewel de rijke bovenklasse DaciŽ ook verliet, bleven de overige inwoners in het gebied en zij hielden grotendeels vast aan de vertrouwde geromaniseerde leefwijze.50 De Goten namen DaciŽ pas in de 4e eeuw in bezit.

 

De flexibiliteit van het Romeinse Rijk en zijn cultuur was opmerkelijk en het taaie aanpassingsvermogen is een belangrijke verklaring voor de overlevingskunst van het rijk.

We bekijken nu welke Romeinse activiteiten aan het eind van de 3e eeuw mogelijk continuïteit vertoonden in het door leger en bevolking grotendeels verlaten westelijke deel van het Nederlandse limesgebied.

 

West-Nederlandse limes: belangrijke infrastructuur

 

Betekende het opgeven van castella in het West-Nederlandse limesgebied aan het eind van de 3e eeuw nu het (tijdelijk) einde van de Romeinse invloedssfeer in dit gebied? In zekere zin wel, want het sterk vernatte en vergaand ontvolkte gebied, grotendeels samenvallend met de huidige provincie Zuid-Holland, maakte militair, economisch en sociaal gezien geen deel meer uit van het Romeinse Rijk. Maar het Nederlandse rivierengebied (en dus de Rijnlimes) was een essentiŽle infrastructuur, een belangrijke transport- en handelsroute tussen BrittanniŽ en het Duitse Rijnland.51 Aangezien de handel op BrittanniŽ (weliswaar op beperkter schaal dan voorheen) doorging, lijken de laat 3e- en de 4e-eeuwse muntvondsten Romeinse militaire steunpunten te suggereren op een aantal plaatsen langs de westelijke Rijn. We kunnen aannemen, dat de Rijn een Romeinse rivier bleef. Op het “Lebensbereich” handel en transport kende de Rijnlimes dus in feite continuïteit aan het eind van de 3e en het begin van de 4e eeuw. In die periode bewaakte de limes in West-Nederland niet langer het (verlaten) achterland tegen (nu afwezige) indringers, de limes bewaakte alleen de infrastructuur van de limes zelf. De limes werd in dit gebied een middel om de rivier te surveilleren.52

 

Vloot of militaire patrouilles?

 

Bij het bewaken van de Rijn kunnen infanterie-eenheden een rol hebben gespeeld. Verder was er ook vanaf de late 3e eeuw op de Beneden-Rijn waarschijnlijk een taak

pagina 186>> 

voor marine-eenheden, maar dan niet langer van de toen niet meer bestaande Classis Germanica Pia Fidelis. Nu waren op de Rijn waarschijnlijk marine-eenheden van de legioenen actief, de milites liburnarii. Deze eenheden waren kleiner, minder mobiel en lichter uitgerust.53

Wat de militaire aanwezigheid op het land betreft: we noemden al de late muntvondsten die late militaire aanwezigheid langs de westelijke Rijn suggereren. Immers: worden ergens nieuw geproduceerde munten aangetroffen, dan was het leger in die streek actief: voor civiel gebruik en ‘de markt’ bracht het Romeinse Rijk geen munten in omloop. Er zijn opmerkelijke en voor Nederland zeer schaarse munten gevonden: in De Meern een munt voor keizer Tacitus (275-276), in Woerden een munt voor Diocletianus (284-305) en op Katwijk-Zanderij een munt voor Maximinus II als Caesar (305-308).54

De plaatsen aan de westelijke Rijn met late muntvondsten hebben een relatief hoge ligging gemeen: hier konden in de drassige omgeving droge steunpunten worden aangedaan. Tussen Woerden en de strandwallen vinden we geen hoge steunpunten en die zullen ook niet zijn gemist: Romeinse transporten op de Rijn liepen in dit veenmoeras geen gevaar overvallen te worden.

 

Conclusie

 

De Romeinse limes tussen Utrecht en de kust ‘viel’ aan het eind van de 3e eeuw niet door invallen, zoals algemeen wordt aangenomen. Op dat moment functioneerde dit limes-segment niet meer als verdedigingslinie om indringers te weren en het achterland te beschermen, maar als een bewaakte infrastructuur, essentieel voor transport en handel, vooral tussen BrittanniŽ en het Duitse Rijnland. Een lineaire, stationaire verdediging met permanent bemande castella was niet langer nodig omdat het gebied aan beide zijden van de Rijn nagenoeg ontvolkt raakte en bovendien was zo’n traditionele limesverdediging niet meer mogelijk als gevolg van de toenemende vernatting van het gebied.

Vanaf het eind van de 3e eeuw werd de westelijke Rijn waarschijnlijk bewaakt door middel van een mobiele surveillance, waarbij de hoog gelegen castella terreinen van Utrecht, De Meern en Woerden als steunpunten kunnen hebben gefungeerd.

De monding van de Rijn werd waarschijnlijk ook bewaakt. De munten uit de laat 3e- en uit de 4e eeuw op Katwijk-Zanderij laten zien, dat de 4e-eeuwse horrea in Valkenburg geen geïsoleerd fenomeen waren. Het nu verdwenen castellum Katwijk-De Brittenburg heeft waarschijnlijk ook een rol gespeeld bij de laat-Romeinse bewaking van de Rijnmonding.

Vanaf het eind van de 3e eeuw hoefde de Rijnlimes tussen Utrecht en de kust maar ťťn ding te bewaken: zichzelf.

 
(Van dit artikel is een uitgebreide Engelstalige versie met meer bronmateriaal te vinden op deze website onder "Guarded river"

 

Antony Kropff
Richard Holstraat 125
2551 HR Den Haag
antonykropff@hetnet.nl

De auteur gedenkt Willem J.H. Willems. Voor zijn overlijden heeft hij deze bijdrage nog van opmerkingen en aanvullingen voorzien.

Noten

1 Antony Kropff studeerde klassieke archeologie met specialisatie antieke numismatiek in Leiden. Hij publiceerde eerder over de muntcirculatie in de 3e eeuw in o.a. European Journal of Archaeology en Revue Belge de Numismatique. Ook schreef hij een serie over Forum Hadriani in Westerheem.
2 Van Es 19813, 121.

3 Dijkstra 2011, 72.
4 Kreucher 2008, 401.
5 Kropff en van der Vin 2003, 80-81.
6 Dhaeze 2011, 197.
7 Kropff en van der Vin 2003, 79.

8 Ibidem 65-66; 83-84.
9 Ibidem, 83-84.
10 Willems en van Enckevort 2009, 48, 87, 100-101.
11 Dijkstra 2011, 81-83.
12 Ibidem, 70.
13 Johne en Hartmann 2008, 1033; De Blois 2007, 9.
14 Witschel 1999, 362.

15 Ruffing 2008, 839.

16 Witschel 1999, 371-372.
17 Ruffing 2008, 834.
18 Fulford 1978, 59-60.
19 Esmonde Cleary 1990, 33, 83.

20 Driessen en Besselsen 2014, 328, 471 noot 187; Van Kerckhove en Driessen 2011, 16; Fulford 1978, 59.
21 Bechert en Willems 1995, 96; Ozinga 1989, 56; Groenman- van Waateringe 1986, 167.

pagina 187>> 

22 Colenbrander (in gesprek met J. Bazelmans) 2005, 37; Graafstal 2002, 3.
23 Kropff en Van der Vin 2003, 82.

24 Kropff 2008, 9; vergelijk ook Dijkstra 2011, 34-35, 57-58.
25 Bloemers 1978, p. 96, 187-188.
26 Dijkstra 2011, 71; Van Londen 2006, 137.
27 Ozinga 1989, 58; Blom en Vos 2008, 415; Polak, Kloosterman e.a. 2004; Bloemers 1980, 166; Bloemers 1978, 96.
28 Dijkstra 2011: 81-83.
29 Kropff en van der Vin 2003.
30 Ozinga 1989, 41, 55, 152.
31 Kemmers 2009.
32 Ibidem, 45-46.
33 Kropff en Van der Vin 2003, 60-61; Casey 1988, 41, 45; Reece 1979, 175-176.
34 Kemmers 2008, 281.
35 Haalebos, J.K., 1977.
36 Polak e.a. 2004.
37 Groenman en Van Beek 1988, 32, 34.
38 Van der Velde, Van Doesburg, MŁller en Waldus, 2008, 123.
39 BeliŽn 2008, 268.
40 Ibidem, 254-255.
41 Kropff 2005, 79-81.
42 Aarts 2000, 41, 209; Casey 1986, 82; Willems 1984, 258.
43 Kropff en van der Vin 2003, 58-59.
44 Besley en Bland 1983, 16.
45 Schulzki 1989, 51, 60.
46 Kropff 2005, 84-85.
47 Gerhardt 2008, 125-157; Johne en Hartmann 2008, 1031-1032; De Blois (contra) 2007, 5.
48 Witschel 1999, 377.
49 Goltz 2008, 440-441; Glas en Hartmann 2008, 649-650; Witschel 1999, 214-217.
50 Hartmann 2008, 315-316.
51 Dhaeze 2011, 209; Graafstal 2002, 3.
52 Colenbrander (in gesprek met J. Bazelmans) 2005, 37.
53 Dhaeze 2011, 52.
54 Kemmers 2009, 30; Kemmers 2008, 280; BeliŽn 2008, 268.

Literatuur

Aarts, J.G., 2000: Coins or Money? Exploring the monetization and functions of Roman coinage in Belgic Gaul and Lower Germany 50 BC- AD 450, Amsterdam.

Bechert, T. & W.J.H. Willems, 1995: De Romeinse rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust, Utrecht.

BeliŽn, P., 2008: De Romeinse munten aangetroffen op de Zanderij, in: H.M. van der Velde (ed.), Cananefaten en Friezen aan de monding van de Rijn. Tien jaar archeologisch onderzoek op de Zanderij- Westerbaan te Katwijk (1996-2006), Amersfoort, 251-268.

Besley, E. & R. Bland, 1983: The Cunetio Treasure, Roman Coinage of the Third Century AD, Londen. 

Bloemers, J.H.F., 1978: Rijswijk (Z.-H.), ‘De Bult’. Eine Siedlung der Cananefaten. (Nederlandse Oudheden 8), Amersfoort.

Bloemers, J.H.F., 1980: Engelse drop. Een poging tot ontleding van het romanisatieproces in Nederland, Westerheem 29, 152-173.

De Blois, L., 2007: Een eeuw van crisis, het Romeinse Rijk in de derde eeuw na Christus. Afscheidsrede, Nijmegen.

Blom, E. & W.K. Vos, 2008: Woerden- Hoochwoert. De opgravingen van 2002-2004 in het Romeinse castellum Laurium, de vicus en van het schip de ‘Woerden 7’, Amersfoort.

Casey, P.J., 1986: Understanding Ancient Coins, Londen.

Casey, P.J., 1988: The interpretation of Romano-British site finds, in: P.J. Casey & R. Reece (eds.), Coins and the Archeologist. tweede druk, Londen, 39-56.

Colenbrander, B., 2005: Limes Atlas, Rotterdam.

Dhaeze, W. 2011: De Romeinse kustverdediging langs de Noordzee en het Kanaal van 120 tot 410 na Chr, Gent.

Dijkstra, M.F.P., 2011: Rondom de mondingen van Rijn & Maas, landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid- Holland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek, Leiden.

Driessen, M.J. & E. Besselsen (eds.) 2014: Voorburg- Arentsburg: een Romeinse havenstad tussen Rijn en Maas (Themata 7), Amsterdam.

Es, W.A. van, 19813: De Romeinen in Nederland, Haarlem.

Esmonde Cleary, A.S., 1989: The ending of Roman Britain, Londen.

Fulford, M. 1978: Roman trade between Britain and the Rhine provinces: the scope of medieval historical and archaeological analogy, in: J. Du Plat Taylor & H. Cleere (eds.), Roman shipping and trade: Britain and the Rhine provinces. (CBA research report no. 24), Londen, 59-69.

Gerhardt, T. 2008: Forschung, in: K.-P. Johne, U. Hartmann & T. Gerhardt (eds.), Die Zeit der Soldatenkaiser, Krise und Transformation des RŲmischen Reiches im 3. Jahrhundert  n. Chr. (235-284), Berlijn, 395-423.

Glas, T. & U. Hartmann, 2008: Die Provinzverwaltung, in: K.-P. Johne, U. Hartmann & T. Gerhardt (eds.), Die Zeit der Soldatenkaiser, Krise und Transformation des RŲmischen Reiches im 3. Jahrhundert  n. Chr. (235-284), Berlijn, 641-672.

pagina 188>> 

Goltz, A., 2008: Die VŲlker an der nordwestlichen Reichsgrenze (Rhein und obere Donau), in: K.-P. Johne, U. Hartmann & T. Gerhardt (eds.), Die Zeit der Soldatenkaiser, Krise und Transformation des RŲmischen Reiches im 3. Jahrhundert  n. Chr. (235-284), Berlijn, 427-447.

Graafstal, E.P., 2002: Logistiek, communicatie en watermanagement. Over de uitrusting van de Romeinse rijksgrens in Nederland, Westerheem 51, 2-27.

Groenman- van Waateringe, W. & B.L. van Beek, 1988: De Romeinse castella te Valkenburg Z.H. Zeventiende opgravingscampagne 1980, Werkput VI 1, in: J.H.F Bloemers (ed.), Archeologie en oecologie tussen Rijn en Vlie, Assen- Maastricht, 1-121.

Haalebos, J.K., 1977: Zwammerdam- Nigrum Pullum, ein Auxiliarkastell am Niedergermanischen Limes, Amsterdam.

Hartmann, V., 2008: Claudius Gothicus und Aurelianus, in: K.-P. Johne, U. Hartmann & T. Gerhardt (eds.), Die Zeit der Soldatenkaiser, Krise und Transformation des RŲmischen Reiches im 3. Jahrhundert  n. Chr. (235-284), Berlijn,  297-323.

Johne, K.-P. & U. Hartmann, 2008: Krise und Transformation des Reiches im 3. Jahrhundert,  in: K.-P. Johne, U. Hartmann en T. Gerhardt (eds.), Die Zeit der Soldatenkaiser, Krise und Transformation des RŲmischen Reiches im 3. Jahrhundert  n. Chr. (235-284), Berlijn, 1025-1053.

Kemmers, F., 2008: Munten, in: E. Blom & W.K. Vos, Woerden- Hoochwoert. De opgravingen van 2002-2004 in het Romeinse castellum Laurium, de vicus en van het schip de ‘Woerden 7’, Amersfoort, 269-288.

Kemmers, F., 2009: De Romeinse muntvondsten van het terrein De Hoge Woerd in De Meern (gemeente Utrecht), Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 95, 1-64.

Kerckhove, J. van, & M. Driessen, 2011: The city of Forum Hadriani: a supply centre for the military on the Dutch coast. The ceramic evidence. In: Newsletter of the Study Group for Roman Pottery 52, 10-17.

Kreucher, G., 2008: Probus und Carus, in: K.-P. Johne, U. Hartmann & T. Gerhardt (eds.), Die Zeit der Soldatenkaiser, Krise und Transformation des RŲmischen Reiches im 3. Jahrhundert  n. Chr. (235-284), Berlijn, 395-423.

Kropff, A.C., & J.P.A. van der Vin, 2003: Coins and continuity in the Dutch River area at the end of the third century AD, European Journal of Archaeology 6, 55-87.

Kropff, A., 2005: “Radiate copies”: Late third century Roman emergency coins, Revue Belge de Numismatique et de Sigillographie 151, 75-96.

Linden, E. van der, 2008: Aardewerk, in: E. Blom & W.K. Vos, Woerden- Hoochwoert. De opgravingen van 2002-2004 in het Romeinse castellum Laurium, de vicus en van het schip de ‘Woerden 7’, Amersfoort, 128-164.

Londen, H. van, 2006. De inheemse bewoning in het landelijk gebied. In: W. de Jonge, J. Bazelmans en D. de Jager (eds.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht, 131-139.

Ozinga, L.R.P., M.D. de Weerd & M.J.G.Th. Montforts, 1989: Taiectum: een hulptroepencastellum aan de Rijn- limes, in: L.R.P Ozinga, M.D. de Weerd & M.J.G.Th. Montforts (eds.), Traiectum: een hulptroepencastellum aan de Rijn- limes, Utrecht, 37-62.

Polak, M., R.P.J. Kloosterman & R.A.J. Niemeijer, 2004: Alphen aan den Rijn – Albaniana, 2001-2002. Opgravingen tussen de Castellumstraat, het Omloopkanaal en de Oude Rijn, Nijmegen.

Reece, R., 1979: Zur Auswertung und Interpretation rŲmischer FundmŁnzen aus Siedlungen, in: Studien zu FundmŁnzen der Antike 1, Berlijn, 175-195.

Ruffing, 2008: Die Wirtschaft, in: K.-P. Johne, U. Hartmann & T. Gerhardt (eds.), Die Zeit der Soldatenkaiser, Krise und Transformation des RŲmischen Reiches im 3. Jahrhundert  n. Chr. (235-284), Berlijn, 817-841.

Schulzki, H.J., 1989: Die FundmŁnzen der rŲmischen Strassenstation Flerzheim, Keulen.

Velde, H.M. van der, J. van Doesburg, A. MŁller & W.B. Waldus, 2008: Resten uit de Romeinse tijd in het centrale deel van de Zanderij: een Romeinse weg, in: H.M. van der Velde (ed.), Cananefaten en Friezen aan de monding van de Rijn. Tien jaar archeologisch onderzoek op de Zanderij- Westerbaan te Katwijk (1996-2006), Amersfoort, 107-126.

Velde, H.M. van der, 2008: Sporen en structuren behorende tot de Romeinse nederzetting, in:  H.M. van der Velde (ed.), Cananefaten en Friezen aan de monding van de Rijn. Tien jaar archeologisch onderzoek op de Zanderij- Westerbaan te Katwijk (1996-2006), Amersfoort, 55-92.

Willems, W.J.H., 1984: Romans and Batavians. A regional Study in the Dutch Eastern River Area, II, Berichten ROB 34, 39-331.

Willems, W.J.H. & H. van Enckevort, 2009: VLPIA NOVIOMAGVS- Roman Nijmegen, The Batavian Capital at the Imperial Frontier. (JRA Supplemetary Series 73), Portsmouth, Rhode Island.

Witschel, C., 1999: Krise - Rezession - Stagnation? Der Westen des rŲmischen Reiches im 3. Jahrhundert n. Chr, Frankfurt.