Het begin van een nieuwe pagina in de oorspronkelijke publicatie en de pagina's waarop de illustraties voorkomen worden aangegeven in blauw. Dit maakt het citeren van de oorspronkelijke publicatie mogelijk.

 

pag. 2>>

 

De militaire context van Forum Hadriani

 

Westerheem 57, 2008, blz. 2-15.

 

Antony Kropff (*)

 

Waar Holwerda nog een militair vlootstation dacht te zien, ontstond vooral door het werk van Bogaers en later ook Buijtendorp het Forum Hadriani zoals wij dat nu kennen: een in 121 of 122 na Chr. op basis van een bestaande nederzetting gesticht stadje naar Romeins model, met een markt- en bestuursfunctie, dat op zijn laatst in 151 de status van municipium kreeg.

Het was een civiele nederzetting, met weinig of geen militaire aanwezigheid. [1]

Analyse van het vondstmateriaal en van de ontwikkelingen binnen de Civitas Cananefatium maken echter een heroverweging van de verondersteld zuiver civiele context van Forum Hadriani nodig. Forum Hadriani was namelijk ook een element binnen het militair-strategisch concept dat vanaf het eind van de tweede eeuw in het meest westelijk deel van de Rijnlimes tot stand kwam. (einde intro)

 

Eerst gaan we na, welk vondstmateriaal ‘binnen de muren’ nadere analyse behoeft. Daarna komen ontwikkelingen ‘buiten de muren’ aan de orde, die voor het beoordelen van de context van Forum Hadriani van belang zijn.

 

Binnen de muren

 

Drie elementen komen aan de orde: de stenen ommuring, het aardewerk met leesbare graffiti en de militaria. Al het materiaal is gepubliceerd, hier gaat het om een poging tot synthese en een interpretatie.

 

De stenen ommuring

 

Forum Hadriani had aanvankelijk een omwalling met pallisadegreppel, die later werd vervangen door een stenen muur. De datering van deze muur is (nog) niet zeker, maar bouw rond 180 is voorgesteld. [2] Eerder werd eind tweede, begin derde eeuw mogelijk geacht. [3] Waarom werd de stad van een stenen muur voorzien? Er is wel eens geopperd dat stadsmuren een representatieve functie konden hebben of de bewoners bescherming moesten bieden en dat zij door de stad zelf werden opgericht. Echter, in deze periode was de bouw van een stadsmuur aan wettelijke bepalingen onderworpen. Muren werden aangelegd na voorafgaande toestemming van de provinciale gouverneur én de keizer. Er moest bovendien een dwingende militaire noodzaak zijn voor de bouw van de muur. Als muren alleen op initiatief van individuele steden werden opgericht en door stedelingen werden bemand, dan werd de Lex Julia die burgers verbood wapens te dragen, overtreden. [4]

 

Stadsmuren werden gebouwd als er een militair-strategische noodzaak was, de bescherming van stedelingen was volledig secundair. [5] Het ging bij de ommuring van kleine steden vooral om het beschermen van de omringende infrastructuur en daarmee van de communicatielijnen. [6] Een ommuurde stad moet daarom gezien worden als onderdeel van het militaire verdedigingssysteem van een provincie. [7] Een stadsmuur moet daarom altijd binnen de historische context worden beoordeeld.

De belangrijkste vraag met betrekking tot Forum Hadriani is dan, welke militair-strategische ontwikkelingen de ommuring nodig maakten. In de periode van de bouw van de muur is een directe bedreiging van de stad niet aan de orde, getuige het ontbreken van verwoestingsporen in stad en omgeving.

pag. 3>>

Hoe de muur kan worden geïnterpreteerd, komt later nog aan de orde als de ontwikkelingen binnen de Civitas Cananefatium aan de orde komen.

Het is overigens onbekend hoe stadsmuren werden gefinancierd. De vraag is, of ze door de stad moesten worden betaald, of dat de provinciale- en/of rijksoverheid de muren geheel of gedeeltelijk financierden. [8] Het valt niet aan te nemen dat Forum Hadriani de muur zelf financierde, gezien het vrij marginale karaker van de stad en het economisch niet bijzonder sterke achterland.

 

Militaria

 

Holwerda rapporteerde met betrekking tot Arentsburg een klein aantal militaria: acht bronzen beslagplaatjes, twee speerfragmenten, een speerpunt en een pilum. [9] Het geringe aantal door Holwerda gevonden militaire voorwerpen is later gebruikt als een van de argumenten vóór de civiele aard van de nederzetting. [10] Daarbij moet wel het volgende worden bedacht. Holwerda was vooral een grondsporenspecialist en had daarnaast belangstelling voor aardewerk. Ten aanzien van de ontgraven grond was Holwerda nonchalant als het aankwam op het verzamelen van vondstobjecten. Verder onderzocht hij de nederzetting maar ten dele door middel van een sleuvensysteem met één opgravingvlak. Ook dat moet bij het beoordelen van zijn vondstobjecten tot voorzichtigheid manen.

De gevolgen van zijn aanpak kunnen worden vastgesteld aan de hand van het verslag van de opgraving op Ockenburgh bij Den Haag, [11] waarbij Holwerda de conclusie trekt dat het ging om een “absoluut inheemsche” nederzetting van “groote armelijkheid”. Bij de beschrijving van de vondstobjecten rapporteerde Holwerda slechts één gesneden steen en zeventien munten. Op enkele speerfragmenten na, werden geen militaria gerapporteerd. [12]

Gelukkig bleven Holwerda’s sleuven tot na de tweede wereldoorlog openliggen. Hoewel het ging om privé-terrein kregen sommigen later toestemming om het terrein te onderzoeken. Uit het verstoven zand dat door Holwerda uit de sleuven was opgeworpen, werd een grote hoeveelheid vondstobjecten verzameld: tientallen munten, bronsbeslag, fibulae, een bronzen beeldje en maar liefst elf gesneden stenen. [13]  In deze context is het van belang, dat ook nogal wat voorwerpen van militaire aard werden verzameld, waaronder acht ‘militaire’ fibulae, waarbij de jongste in de tweede helft van de derde eeuw kan worden gedateerd. Verder werden delen van de militaire uitrusting gevonden: een speerpunt, zwaardschedebeschermers, een zwaardriemhouder, gespen en diverse bronzen beslagplaatjes. [14] Overigens zal verderop, als we het gebied ‘buiten de muren’ bekijken, blijken dat ook de grondsporen die bij een latere opgraving op Ockenburgh werden aangetroffen, op een nederzetting in militaire context wijzen.

Holwerda zag dus diverse militaria en ander vondstmateriaal volledig over het hoofd. We hebben reden om aan te nemen dat het bij zijn opgraving op Arentsburg niet veel anders zal zijn geweest. Dit valt nog verder te onderbouwen. Door BAAC werd in 2005 een opgraving uitgevoerd op het voormalige Effatha-terrein, gelegen binnen de muren van Forum Hadriani. Er werd intensief gezocht met een metaaldetector, waardoor veel meer metaalvondsten werden gedaan dan bij voorgaande opgravingen. De archeologische standaardrapportage is nog niet verschenen, maar de eerste bevindingen zijn gepubliceerd. [15]

pag. 4>>

Naast 177 munten werden 34 fibulae gevonden, waaronder een aantal ‘militaire’. Opvallend groot was de hoeveelheid delen van paardentuig: 28 stuks. Daarnaast werden vijf delen van de militaire uitrusting gevonden. De interpretatie van de gevonden militaria is opmerkelijk. Er wordt eerst vastgesteld dat aan militaire aanwezigheid gedacht zou kunnen worden. Dan wordt opgemerkt: “tegenwoordig gaat men er echter van uit, dat de meeste militaria in nederzettingen het bezit zijn geweest van veteranen uit het Romeinse leger […].”

Dit is echter in het rivierengebied tot nu toe alleen vastgesteld met betrekking tot de Bataven. Tot in de kleinste nederzettingen werden in hun stamgebied militaria aangetroffen. [16] In het gebied van de Cananefaten was dit zeker niet het geval: militaria zijn aangetroffen in bewezen militaire nederzettingen (castella) en zeer waarschijnlijke militaire nederzettingen (Ockenburgh, Scheveningseweg). In andere nederzettingen in een rurale context worden zo goed als geen onderdelen van de militaire uitrusting gevonden. De recent in Forum Hadriani gevonden militaria zijn dus eerder een aanwijzing dat daar actieve militairen gestationeerd zullen zijn geweest.

 

Graffiti

 

Holwerda rapporteerde voor Forum Hadriani 44 aardewerkfragmenten met graffiti, waarvan 22 stuks leesbare (naam)fragmenten. [17]  Er is al eens gedemonstreerd dat Forum Hadriani wat betreft het voorkomen van import aardewerk, inheems aardewerk, het aandeel terra sigillata en de hoeveelheid (leesbare) graffiti meer overeenkomst vertoont met het castellum van Zwammerdam en de vicus Valkenburg- De Woerd, dan met inheems-Romeinse nederzettingen als Rijswijk- de Bult en

pag. 5>>

Schiedam-Kethel. [18] Uit deze vergelijking werd overigens geen conclusie ten aanzien van de aard van Forum Hadriani getrokken.

 

Bij een onderzoek in het oostelijke rivierengebied bleek dat de meeste graffiti stamden uit een militaire context. In een niet-militaire context werden slechts enkele graffiti op aardewerk gevonden. [19] Er zijn overigens ook leesbare graffiti gevonden op Ockenburgh en aan de Scheveningseweg. Holwerda vond op Ockenburgh acht fragmenten met leesbare graffiti, waaronder zes eigennamen of fragmenten daarvan. [20] Later werd nog een graffitivondst gedaan [21], terwijl ook de inventarisatie van particuliere vondsten uit het door Holwerda opgeworpen zand nog tien graffitifragmenten opleverde. [22] Het totale aantal aardewerkfragmenten met graffiti komt daarmee op negentien, waarvan er zeventien leesbaar zijn.

Het militaire karakter van deze nederzetting is inmiddels zeer waarschijnlijk: het lijkt te gaan om een vicus bij een teruggevonden militaire installatie, waarover in het deel ‘buiten de muren’ later meer. Daar komt ook de waarschijnlijk militaire context van de nederzetting aan de Scheveningseweg aan de orde, waarvan het aardewerk nog niet gepubliceerd is. De opgraving produceerde eveneens graffiti op aardewerk [23], waarbij het aantal leesbare graffiti tussen vijf en tien stuks zal liggen [24], minder dan op Ockenburgh, maar het opgravinggebied is dan ook aanzienlijk kleiner.

Welke betekenis kan in een groter verband aan het voorkomen van leesbare graffiti worden toegekend? Opgravingen in Duitsland hebben grote hoeveelheden leesbare graffiti op aardewerk opgeleverd. Aan de hand van graffiti op het aardewerk in het Rheinisches Landesmuseum in Bonn kon worden vastgesteld dat er grote verschillen zijn tussen civiele nederzettingen en nederzettingen in een militaire context: in militaire nederzettingen werden veel meer leesbare graffiti aangetroffen. Uit het castellum van Vetera zijn uit een tijdvak van twintig jaar 76 graffiti bekend, uit het goed opgegraven Colonia Ulpia Traiana (Xanten) over een periode van twee eeuwen slechts achttien stuks. De legioenlegerplaats Bonna (Bonn) leverde 197 stuks op, Keulen (Colonia Claudia Ara Agrippinensium) slechts tien stuks. Trier leverde zelfs maar twee fragmenten met graffiti op! Letten we vervolgens op graffiti met eigennamen, dan valt het aantal dat in civiele nederzettingen gevonden is, volledig in het niet bij het aantal uit militaire nederzettingen.

pag. 6>>

Binnen een legereenheid kraste een soldaat zijn naam in aardewerk, binnen een colonia deed hij dat niet meer. Binnen een legereenheid werd door het plaatsen van een bezittergraffito het gebruik en wegnemen door collega’s voorkomen, binnen een civiel woon- en leefverband als een familie werd dat niet gedaan omdat het niet nodig was. [25]

In Forum Hadriani, in de nederzetting Den Haag- Ockenburgh en in mindere mate in de nederzetting Den Haag- Scheveningseweg zijn nogal veel naamgraffiti gevonden, wat dus duidt op een militaire context. Voor Forum Hadriani zou dat een nieuw element zijn. Ook de stenen stadsmuur en in 2005 gevonden miltaria duiden op een mogelijk militaire context van de stad. Om een eventuele militaire context van Forum Hadriani beter te kunnen beoordelen, is het nu nodig de stad in breder verband te bekijken en de relatie met de civitas, en vooral de strandwallenzone nader te onderzoeken.

 

Buiten de muren

 

De volgende onderdelen komen nu aan de orde: allereerst komt de infrastructuur van de strandwallenzone en aangrenzend gebied ter sprake, waarbij aandacht wordt besteed aan de nederzettingen, wegen en waterwegen. Daarna kijken we naar de ‘lineaire’ Rijnlimes: hoe ontwikkelden zich de limescastella en welk militair- strategisch verband was er tussen de limeszone in beperkte zin en de strandwallenzone?

 

De nederzettingen op de strandwallenzone

 

Holwerda groef op Ockenburgh, waar hij grondsporen aantrof die hij lacuneus en verward noemde. Hij stelde met betrekking tot de naar zijn oordeel inheemse nederzetting een gebruiksduur voor van circa 120 tot circa 240. [26]  Bij recentere opgravingen kon deze periode worden gecorrigeerd: circa 150 tot circa 270. [27] Verder kon het inheemse karakter van de nederzetting worden weerlegd: aannemelijker is de hypothese dat het hier om een vicus gaat, waarbij zelfs een bijbehorende militaire installatie is teruggevonden: een mini-castellum zoals dat eerder al in Valkenburg- Marktveld werd aangetroffen. Het fortje heeft mogelijk slechts dienst gedaan van circa 150 tot circa 170. [28]

 

Waasdorp groef op de locatie Den Haag- Scheveningseweg [29] en trof twee bewoningsniveaus aan. De jongste bewoningslaag heeft betrekking op een in flinke mate geromaniseerde nederzetting die aan het eind van de tweede eeuw in gebruik werd genomen. Er zijn veel delen van de militaire uitrusting gevonden, waaronder een groot stuk van een maliënkolder, pareerstangen, zwaardgrepen, zeventien ‘militaire’ fibulae en het grootste aantal zwaardpuntbeschermers (twaalf stuks) dat in Nederland in één nederzetting is aangetroffen. Samen met een defecte gietmal met daarin een mislukte zwaardriemhouder wijst dit alles op de aanwezigheid van soldaten, net zoals het aantal leesbare graffiti op aardewerk al deed. Door de opgraver werd de conclusie getrokken dat het hier moet gaan om een deel van een vicus bij een militaire installatie die, anders dan op Ockenburgh, nog niet is teruggevonden.

 

Naaldwijk ligt niet op de strandwallen langs de kust, maar op een strandwal op de noordelijke oever van het Helinium.

pag. 7>>

Er is infrastructurele samenhang  met de strandwallenzone langs de kust, zodat bespreking hier op zijn plaats is. Aanvankelijk leken opgravingen op inheemse nederzettingen te wijzen [30], maar een in 2004 gevonden fragment van een bronzen plaat met onder andere de aanduiding ‘classis’ wees in een andere richting. [31] De plaat zal waarschijnlijk de sokkel van een beeld hebben gesierd, dat naar de interpretatie van Derks (VU) in 47 of 48 door de Nedergermaanse vloot      -C(lassis)G.P.F.- werd opgericht ter ere van keizer Claudius. Derks wees erop, dat een beeld van de regerend keizer in alle Romeinse legerplaatsen stond opgesteld, waarbij het wat Naaldwijk betreft dus waarschijnlijk om een steunpunt van de vloot moet zijn gegaan. Van het beeld is in 2004 niets aangetroffen, maar Holwerda vond eerder een meer dan levensgrote bronzen rechterhand, vergelijkbaar met een soortgelijk exemplaar dat in de achttiende eeuw op Arentsburg werd aangetroffen.

Van een vlootsteunpunt is in Naaldwijk nog niets teruggevonden, maar de plek, nabij de monding van de Fossa Corbulonis in het Helinium, zou strategisch goed gekozen zijn geweest.

 

De nu behandelde nederzettingen wijzen op de aanwezigheid van het leger op de strandwallenzone. Waarom was het leger daar aanwezig en wat werd bewaakt of verdedigd? Om dat te kunnen beoordelen, bezien we nu eerst de infrastructuur van de strandwallenzone en het aangrenzende gebied.

 

Wegen en waterwegen

 

De Rijn en het Helinium vormden de noord- en zuidgrens van de civitas en werden verbonden door de Fossa Corbulonis, een zuiver militaire installatie.

Wat de landwegen betreft: de limesweg is een gegeven, al is het precieze verloop in ons gebied niet overal precies bekend. Twee andere landroutes werden verondersteld: een weg langs de fossa en parallel daaraan, maar meer naar het westen een tweede weg. In 1997 kon de oostelijke weg langs de fossa worden aangetoond bij de opgraving in Den Haag- Wateringseveld met de spectaculaire vondst van vier mijlpalen. Het weglichaam kon over een lengte van 750 meter worden aangetoond. [32] Blijkens de mijlpalen is de weg in ieder geval van 151 tot 250 in gebruik geweest. De weg kan aan de hand van de mijlpaal voor Antoninus Pius (A MAC MP IIII, naar MAC vier mijl) in noordelijke richting worden geprojecteerd naar Forum Hadriani, ofwel Municipium Aelium Cananefatium. Voortzetting tot Leiden/ Matilo

pag. 8>>

ligt voor de hand, terwijl de weg gezien het patroon van flankerende nederzettingen zuidwaarts tot Naaldwijk zal hebben doorgelopen, om dan langs het Helinium mogelijk naar het zuidoosten mee te buigen.

 

Pabon meende de westelijke weg voor een klein deel te hebben blootgelegd [33], maar tot nu toe hebben we alleen een veronderstelde route, geen wegsporen. Een weg ligt wel voor de hand, gezien de nederzettingen op Ockenburgh en aan de Scheveningseweg. Militair-strategische overwegingen zullen een verbindingsweg tussen de bijbehorende militaire installaties nodig hebben gemaakt, terwijl een of meer dwarsverbindingen naar de kust en de oostelijke weg strategisch voor de hand liggen, en ook lijken te worden gesuggereerd door de oriëntatie van de huissporen in deze twee nederzettingen. [34]

De nu plausibel geachte weergave van gevonden, geprojecteerde en veronderstelde wegen is te zien in afb.1

afb pag. 3>>

wegen civitas

Afb. 1. Reconstructie van de land- en waterwegen. (Bron: Waasdorp 2006, p. 119)

De samenhang tussen (verondersteld) wegverloop en daaraan gelegen nederzettingen in militaire context lijkt duidelijk. Deze infrastuctuur maakte een doelmatige bewaking en verdediging mogelijk van de strandwallenzone die immers een strategisch belangrijke landbrug tussen Rijn en Helinium vormde. Deze waterlopen en de verbindende fossa vormden een werkgebied van de Nedergermaanse vloot. De hele civitas was daarmee van strategisch belang, waarbij verder ook de levering van een niet onbelangrijk en wat gevechtskracht betreft, gewaardeerd contingent hulptroepen een rol zal hebben gespeeld. [35]

 

De ontwikkelingen in het westelijk limesgebied

 

Vier castella waren van belang voor de lineaire verdediging van de strandwallenzone en het kerngebied van de Cananefaten, het zeekleigebied in het huidige Westland. Het gaat om Albaniana (Alphen aan den Rijn), Matilo (Leiden- Roomburg), Praetorium Agrippinae (Valkenburg) en Lugdunum (Katwijk- Brittenburg). We kijken eerst naar de muntvondsten die met deze castella samenhangen. Munten zijn heel geschikt om een indruk te krijgen van de periode van (intensief) gebruik.

Voor de castella zijn aangepaste histogrammen gemaakt met een periodisering zoals deze in de numismatiek gangbaar is. [36] Het aantal gevonden munten uit een (groep van) regeringsperiode(n) wordt gedeeld door het aantal jaren dat de periode beslaat. De nu berekende waarde wordt vermenigvuldigd met een factor 1000

pag. 9>>

en vervolgens gedeeld door het totale aantal munten dat op de site is gevonden. Het berekende jaarlijks verlies per 1000 munten per periode wordt gepresenteerd in een staafdiagram, zodat een snelle onderlinge vergelijking van sites mogelijk wordt. De met de nummers corresponderende perioden zijn te vinden in tabel 1 hieronder.

 tabel pag. 4>>

tabel 1: periodenoverzicht

no.

periode

begin en einde

aantal jaren

1

Republiek

211 v. Chr.- 28 v. Chr.

183

2

Augusteïsch (Augustus, Tiberius, Caligula)

 

27 v. Chr.-41 n. Chr.

68

3

Claudisch (Claudius, Nero, burgeroorlog)

41-68

27

4

Flavisch I (Vespasianus, Titus)

68-81

13

5

Flavisch II (Domitianus)

81-96

15

6

Trajanisch (Nerva, Trajanus)

96-117

21

7

Hadrianisch

117-138

21

8

Antonijns I (Antoninus Pius)

138-161

23

9

Antonijns II (Marcus Aurelius)

161-180

19

10

Antonijns III (Commodus)

180-192

12

12

Severisch II (Elagabalus)

217-222

5

13

Severisch III (Severus Alexander)

222-235

13

14

Post- Severisch I (Maximinus I)

235-238

3

15

Post- Severisch II (Gordianus III)

238-244

6

16

Post- Severisch III (Philipus I)

244-249

5

17

Post- Severisch IV (Decius, Gallus)

249-253

4

18

Post- Severisch V (Valerianus I met Gallienus)

253-260

7

19

Gallische Rijk (Postumus, Victorinus, Tetrici, Gallienus, Claudius II)

260-273

13

20

Pannonisch-Illyrisch (Aurelianus – Diocletianus)

273-296

23

21

Tetrarchisch (Diocletianus, Maximianus, Constantius I, Galerius, Constantinus I)

296-317

21

22

Constantijns I (Constantinus I, Licinius)

317-330

13

23

Constantijns II (Constantinus I, Constantinus II, Constans, Constantius II)

330-348

18

24

Constantijns III (Constantius II, Magnentius, Julianus)

348-364

16

25

Valentiniaans (Valentinianus I, Valens, Gratianus)

364-378

14

26

Theodosisch I (Gratianus, Theodosius I, Magnus Maximus)

378-388

10

27

Theodosisch II (Theodosius I, Honorius, Arcadius)

388-402

14

Het staatje hieronder geeft het totale aantal munten per site en het gebruikte basismateriaal, waarbij Numis staat voor de database van het Geld- en Bankmuseum te Utrecht.

 

tabel pag. 10>>

Vindplaats

totaal aantal munten

basismateriaal

Albaniana

534

Numis, Baart 1990

Matilo met vicus

100

Numis, Baart 1990, ROB opgraving vicus 1996

Praetorium Agrippinae

 89

Numis

Katwijk- Sluizen

 52

Numis

Forum Hadriani

366

Van der Vin en Buijtendorp 2006

Den Haag- Ockenburgh

 91

Numis, Holwerda 1938, Baart 1990, Waasdorp 1988, inventarisatie collecties Noorda en Pabon (in bezit Bank- en Geldmuseum)

Den Haag- Scheveningseweg

 35

Waasdorp 1999

Heliniumoevers

204

Numis, Baart 1990

 

Er is een histogram gemaakt van Albaniana  (afb. 2), Matilo (afb 3), Praetorium Agrippinae (afb. 4) en van (een deel van) de vicus (Katwijk- Sluizen, afb. 5) van Lugdunum, dat verloren ging.

afb pag. 5>>

Histo Albaniana

Afb. 2. Munthistogram van Albaniana (Alphen aan de Rijn)

afb pag. 5>>

Histo Matilo

Afb. 3. Munthistogram van Matilo (Leiden- Roomburg) incl. vicus

afb pag. 6>>

Histo Praetorium

Afb. 4. Munthistogram van Praetorium Agrippinae (Valkenburg)

afb pag. 7>>

Histo Katwijk-Sluizen 

Afb. 5. Munthistogram van Katwijk-Sluizen

De muntreeks breekt in Albaniana en Matilo tegen 240 af, in Praetorium Agrippinae zelfs al twee decennia eerder. Op basis van het histogram van Katwijk- Sluizen mogen we veronderstellen, dat het castellum Lugdunum, wellicht met onderbrekingen, bezetting heeft gekend tot het begin van de vierde eeuw. [37] De muntreeksen van drie castella in het kustgebied blijken in vergelijking met andere militaire en civiele nederzettingen in het rivierengebied heel vroeg af te breken: de histogrammen van bijvoorbeeld Grave, Maurik, Rossum, Cuijk, Nijmegen, Maastricht en Heerlen tonen continuïteit  tot het einde van der derde eeuw, soms zelfs tot het begin van de vierde eeuw. [38] Dat de bezetting van het laatste castellum aan de Rijnlimes, Lugdunum, mogelijk wel voortduurde zou niet vreemd zijn: door de ligging op de strandwal had het minder last van de wateroverlast, de vernatting vanaf het begin van de derde eeuw.

 

De vernatting.

Het kustgebied kreeg rond het midden van de derde eeuw te maken met vernatting en wateroverlast. De vernatting werd vermoedelijk veroorzaakt door de grootschalige ontginningen in het veengebied waardoor het veenlandschap inklinkt en oxideert, vergelijkbaar met de ontwikkelingen in de Middeleeuwen. Daarnaast slibden de kreken dicht door een verminderde invloed van de zee waardoor het achterland  problemen kreeg met de ontwatering.

Direct aan de limes zijn de gevolgen goed te herkennen. Zo werd in Valkenburg- De Woerd grond opgebracht. [39] Het terrein van Albaniana werd wat opgehoogd, maar moet tóch geregeld blank hebben gestaan: er is kroos in de spitsgrachten gevonden.

pag. 10>>

Het lijkt er zelfs op, dat in het laatste kwart van de tweede eeuw delen van het castellum zijn verspoeld. [40]

Ook de zeeklei- en veengebieden achter de strandwallenzone hadden duidelijk problemen. De haardplaatsen van Schiedam- Kethel kwamen steeds hoger te liggen, Rijswijk- de Bult was voorzien van een uitgebreid slotenstelsel  en de stookplaats van de vloerverwarming in de laatste bouwfase van het hoofdgebouw in die nederzetting heeft nooit gebrand, waarschijnlijk door de vernatting. [41] Ook het in onbruik raken van nederzettingen in Midden- Delfland aan het begin van de derde eeuw zal met wateroverlast te maken hebben gehad. [42]

 

De strandwallenzone zal minder last hebben gehad, al zijn er in Voorburg (dat niet in zijn geheel op de meest oostelijke strandwal lag) tekenen van vernatting. De spitsgrachten hadden een komvormig profiel, spits uitgraven tot de juiste diepte zal door de hoge waterstand niet mogelijk zijn geweest. Ook de zinkputten met daarop aangesloten afvoergoten, zelfs in het hoger gelegen deel van de stad, wijzen op problemen met de waterafvoer. [43]

 

We kunnen aannemen, dat in dit gebied een volledige, statisch-lineaire limesbewaking en –verdediging al voor het midden van de derde eeuw door de wateroverlast niet langer praktisch uitvoerbaar was. Sporen van een gewelddadig einde ontbreken, sporen van vernatting zijn alom aanwezig. Er zal voor de Civitas Cananefatium een vervangend militair-strategisch concept ontwikkeld zijn.

pag. 11>>

Om dat concept op het spoor te komen, kijken we naar de histogrammen van de strandwallenzone.

 

De strandwallen: grond onder de voeten

We kijken naar de munthistogrammen van Forum Hadriani (afb.6), Den Haag- Ockenburgh (afb.7), Den Haag- Scheveningseweg (afb. 8) en het verzamelhistogram van de Heliniumoevers [44] (afb. 9).

afb pag. 8>>

Histo Forum Hadriani

Afb. 6. Munthistogram van Forum Hadriani

afb pag. 9>>

Histo Den Haag- Ockenburgh

Afb. 7. Munthistogram van Den Haag- Ockenburgh

afb pag. 10>>

Histo Den Haag-Scheveningseweg

Afb. 8. Munthistogram van Den Haag- Scheveningseweg

afb pag. 11>>

Histo Heliniumoevers

Afb. 9. Munthistogram van de Heliniumoevers

 Op basis van deze histogrammen kunnen we vaststellen, dat hier sprake was van bewoning, gebruik of bezetting nadat er een einde kwam aan de permanente bezetting van drie castella in het gebied. De piekformaties verschillen: Forum Hadriani heeft een Hadrianisch- Antonijns accent, de twee nederzettingen op Haags grondgebied een Severische piek. Munten uit periode 19, het Gallische Rijk (260-274) zijn steeds aanwezig, met een opvallende piek in het verzamelhistogram van de Heliniumoevers. De nederzettingen aan het Helinium waar de munten feitelijk vandaan komen, zijn door erosie verloren gegaan. Het zal vooral ook om munten uit een militaire context gaan: steunpunten van leger en/of vloot. Voorwerpen die werden gevonden op de Maasvlakte, suggereerden dat in het verleden al. [45] In Forum Hadriani en aan het Helinium vinden we ook kleine aantallen munten uit latere perioden. Het histogram van de Scheveningseweg is lacuneus, maar dat zal te maken hebben met het feit dat naar schatting slechts 15% van de nederzetting werd opgegraven.

 

Hoe kwamen munten met een productiemoment na circa 240 nu in omloop op de strandwallenzone en aan het Helinium? Zoals bekend had het Romeinse Rijk geen ander mechanisme voor het in circulatie brengen van munten dan door het doen van betalingen. [46] Munten werden alleen aangevoerd voor het betalen van soldij en het doen van andere legeruitgaven. [47] De behoefte die ‘de markt’ mocht hebben aan muntgeld, speelde geen enkele rol. Verminderde de militaire aanwezigheid, dan had dat invloed op de toevoer van munten. Verdween het leger ergens, dan hield de toevoer van nieuwe munten eenvoudigweg op. [48]

Het ophouden van de aanvoer van nieuwe munten naar de castella langs de limes in het uiterste westen (met als mogelijke uitzondering Lugdunum) en het doorgaan van aanvoer naar nederzettingen op de strandwallenzone en aan het Helinium moeten eenvoudig betekenen dat daar nog wel militaire aanwezigheid was. De infrastructuur en de muntcirculatie lijken te suggereren dat op de strandwallenzone al

pag. 12>>

vanaf het eind van de tweede eeuw, maar vooral vanaf circa 240 van een passieve lineaire verdediging kan zijn overgegaan op een actieve verdediging die trekken vertoont van een diepteverdediging. Gezien het feit dat de westelijke limescastella (met als mogelijke uitzondering Lugdunum) niet meer (intensief) gebruikt werden, zou aanvoer vanuit Lugdunum mogelijk zijn, maar mogelijk ook vanuit Forum Hadriani. Lugdunum lag ten opzichte van de nederzettingen Den Haag- Ockenburgh en Den Haag- Scheveningseweg nogal excentrisch, want het werd waarschijnlijk alleen door middel van de limesweg verbonden met de infrastructuur van de strandwallen (zie afb. 1).

 

Forum Hadriani binnen een nieuw militair- strategisch concept

In het deel ‘binnen de muren’ werden enige vondstcategorieën besproken, die een bepaalde militaire betekenis van de ommuurde stad doen vermoeden. De ligging van Forum Hadriani binnen de infrastructuur lijkt hetzelfde te suggereren. De stad ligt precies op de plaats die uit strategische overwegingen benut zou moeten worden: aan de Fossa Corbulonis, zelf een militaire installatie. Verder lag het aan de weg die de limes met het Helinium verbond. Deze weg boog waarschijnlijk naar het oosten met het Helinium mee en gaf via Rossum en Nijmegen toegang tot de hoofdverkeersaders dieper in het rijk. Eerder werden militaire activiteiten in de buurt van Forum Hadriani niet uitgesloten geacht. [49]

 

Deze bijdrage laat zien, dat we met betrekking tot Forum Hadriani in feite verder zouden kunnen gaan; de stad zal rond 200 (verder) gemilitariseerd zijn. De stenen muur zal, zoals we eerder vaststelden, niet bedoeld zijn voor de veiligheid van de stedelingen, maar als versterking van de militaire infrastructuur, met name op de strandwallenzone. Deze hele zone raakte immers gemilitariseerd. Rond 200 ging de militaire nederzetting aan de Scheveningseweg van start. Het histogram vertoont een krachtige Severische impuls. Het histogram van Ockenburgh laat vanaf circa 220 een trendbreuk zien: de neergaande trend wordt vanaf periode 12 gestopt en er volgt een Severische  en post-Severische impuls.

Aanwijzingen voor een sterke invloed van het leger binnen de civitas zijn opmerkelijk genoeg ook in het rurale gebied te vinden. In Midden- Delfland is voor de tweede eeuw een planmatige verkaveling aangetoond, die hoogstwaarschijnlijk door het leger tot stand werd gebracht. [50]  Het feit dat het leger zich niet alleen bezighield met de aanleg van militaire installatie en wegen en waterwegen op en langs de strandwallenzone, maar zelfs de verkaveling van agrarische gronden achter deze zone ter hand lijkt te hebben genomen, maakt duidelijk dat de civitas vanaf het eind van de tweede eeuw sterk gemilitariseerd werd .

Er is wel eens geopperd, dat het kustgebied in de civitas in zijn geheel militair gebied is geweest, deel uitmakend van geïntegreerd verdedigingssysteem. [51]

Het mogelijk verband tussen deze ontwikkelingen en de vernatting is al kort aan de orde geweest, waarbij duidelijk werd dat het handhaven van de lineaire verdediging aan de limes moeilijk of zelfs onmogelijk werd. De vernatting zorgde er overigens ook voor dat dit niet zo’n groot probleem was. Niet alleen de ontplooiing van de verdediging werd bemoeilijkt, ook aanvallen van over de limes werden lastig en ook onaantrekkelijk: er viel niet veel meer te halen. [52] De strandwallenzone was een andere zaak. Wie deze zone beheerste, had controle over het kustsegment en de uit strategisch oogpunt belangrijke mondinggebieden van Rijn en Helinium. De Rijnlimes werd naar we mogen aannemen nog wel bewaakt, maar wellicht niet langer stationair maar mobiel; rijnvloot en leger zullen daarbij een rol hebben gespeeld. Lugdunum bleef waarschijnlijk een uitvalsbasis. Voor het overige lijkt het militair- strategisch concept gebaseerd te zijn geweest op ruimteverdediging door middel van militarisering van de strandwallenzone.

Het ommuurde Forum Hadriani zal een actief element binnen het verdedigingsconcept zijn geweest. Of  Forum Hadriani onderdak bood

pag. 13>>

aan een vast contingent soldaten of meer episodisch door legereenheden werd aangedaan, is niet meer vast te stellen. De ommuring pleit voor een vast contingent, want de muur moest bemand worden en daar hielden burgers zich in deze periode niet mee bezig.

Verder mogen we de vloot niet uit het oog verliezen. Het vlootstation van Holwerda is terecht van tafel, maar het ligt toch wel voor de hand dat hier vlooteenheden waren gestationeerd. De nog steeds grootste concentratie dakpannen met CGPF stempel uit het kustgebied is als aanwijzing voor aanwezigheid van de vloot in Forum Hadriani in het verleden wel weggeredeneerd [53], maar we mogen niet vergeten dat vlootstempels in het kustgebied in feite alleen in een militaire context zijn gevonden. [54] Het lijkt ook weinig aannemelijk dat er in Forum Hadriani geen aanlegplaats of steunpunt van de vloot was, gezien de strategische ligging aan het Corbulokanaal. Aanlegplaatsen voor de vloot bij veel castella zijn al langer bekend. [55]

 

Tot slot

 

Op de strandwallenzone in de Civitas Cananefatium kwam vanaf het eind van de tweede eeuw een aangepast militair- strategisch concept tot stand. De vernatting van de Rijnoever maakte het handhaven van een lineaire statische verdediging vanuit permanent bemande castella moeilijk. De strandwallenzone had een groot strategisch belang: hij vormde in feite in het onbegaanbaar wordende achterland een landbrug tussen de monding van Rijn en Helinium, onmisbare transport- en handelsroutes. De strandwallen werden goed bewaakt, getuige de militaire nederzettingen op Ockenburgh en aan de Scheveningseweg, beide nu op Haags grondgebied.

 

Forum Hadriani lag op een strategisch belangrijke plek: aan de Fossa Corbulonis en de daarlangs liggende belangrijke verbindingsweg tussen limes en Helinium. De stenen muur die de stad aan het eind van de tweede eeuw kreeg, kan niet alleen worden gezien als stadsverdediging. De muur zal zijn gebouwd in verband met de militaire situatie in het gehele gebied, waarbij vooral het beschermen van infrastuctuur en communicatielijnen van belang zal zijn geweest. De stadsmuur maakte de stad tot een waardevol element in de strandwallenzone die in de loop van de tijd steeds meer gemilitariseerd raakte.

 

Vondstmateriaal uit het stadje, niet in de laatste plaats de bezittergraffiti op aardewerk en recent aangetroffen militaria ondersteunen de hypothese dat ook Forum Hadriani zelf gemilitariseerd was. Een strategische rol voor de stad en een militair contingent of steunpunt voor de vloot binnen de muren lijkt aannemelijker dan het nu bestaande beeld van een stad zonder direct militair belang en zonder militaire aanwezigheid.

 


 

(*) De auteur dankt Willem J.H. Willems voor zijn opmerkingen en aanvullingen.

 

Noten

 

1   Milot 2006, p. 367.

2   Buijtendorp 2006, p. 116.

3   Van Es 1981, p. 153-154;  Bloemers 1978, p. 94-95.

4   Wacher 1983, p. 141-142.

5   Webster 1983, p. 119.

6   Webster 1975.

7   Webster 1983, p. 119; Hobley 1983, p. 78.

8   Johnson 1983, p. 74-75.

9   Holwerda 1923, p. 149.

10 Bogaers 1971, p. 132.

11 Holwerda 1938.

12 Holwerda 1938, p. 49-50.

13 Waasdorp en Zee 1988, p. 17-19.

14 Ibidem, p. 26-28.

15 Bink 2006.

16 Nicolay 2005.

17 Holwerda 1923, p. 137-138, afbeelding 101.

18 Bloemers 1980, p. 168.

19 Willems 1981, p. 192.

20 Holwerda 1938, p. 46-47

21 Stuurman 1965, p. 8-10.

22 Waasdorp en Zee 1988, p. 51.

pag. 14>>

23 Waasdorp 1999, p. 169.

24 Mondelinge mededeling  J.A. Waasdorp dd 24 november 2006.

25 Bakker en Galsterer- Kröll 1975, p. 7-8, 31, 55-56.

26 Holwerda 1938.

27 Van Ginkel en Waasdorp 1992, p. 37.

28 Waasdorp 1997, p. 400-401.

29 Waasdorp 1999.

30 Holwerda 1936; Nieuwhof 2004.

31 Persbericht Vrije Universiteit Amsterdam van 10 mei 2006: “Nieuwe stap in speurtocht naar Romeinse vlootbasis”

32 Waasdorp 2003.

33 Pabon 1934.

34 Waasdorp 1999,  2003; 2006.

35 Bloemers 1978, p. 81-82; vergelijk Willems 1984, p. 270: “Perhaps it is not inappropriate to say that the Dutch river area remained a kind of reserve for breeding soldiers throughout its entire history as part of the Roman empire”.

36 Reece 1979, p. 175-176; Casey 1988, p. 41, 45; Kropff en van der Vin 2003, p. 60-61.

37 Vergelijk de eindata gegeven door Hessing 1995, p. 91-97: Albaniana en Praetorium Agrippinae rond het midden van de derde eeuw, Matilo rond 275.

38 Kropff en van der Vin 2003, p. 70-75, 79.

39 Bloemers 1978, p. 96; Bloemers 1980, p. 166.

40 Polak, Kloosterman en Niemeijer 2004.

41 Bloemers 1978, p. 96, 187-188.

42 Van Londen 2006, p. 137.

43 Holwerda 1923, p. 10, 15-16.

44 Munten van de volgende (bagger)vondstlocaties: Rozenburg, Oude Maas, Nieuwe Waterweg, Botlek, Rijnmond, Beneluxhaven, Europoort en Maasvlakte.

45 Bogaers 1974, p. 70-78; Haalebos 1974, p. 78-80.

46 Crawford 1970, p. 46; Hopkins 1980, p. 112.

47 Casey 1986, p. 82; Aarts 2000, p. 41, 209.

48 Willems 1984, p. 258.

49 Bloemers 1978, p. 91-92, 95; Van Es 1981, p. 110-112, 116; Waasdorp 1999, p. 34; Buijtendorp 2006, p. 69, 71.

50 Van Londen 2006, p. 134-136.

51 Kersing en Waasdorp 1995.

52 Kropff en van der Vin 2003.

53 Bogaers 1971, p. 131.

54 Beunder 1987, p. 209.

55 Van Es 1981, p. 117.

 

Literatuur

 

Aarts, J.G., 2000. Coins or Money? Exploring the monetization and functions of Roman coinage in Belgic Gaul and Lower Germany 50 BC- AD 450. Amsterdam.

Baart, J.M., 1990. Inventarisatie van Romeinse muntvondsten in Noord- en Zuid-Holland.

(Nederlandse Archeologische Rapporten 12). Amersfoort.

Bakker, L., en B. Galsterer-Kröll, 1975. Graffiti auf Römischer Keramik im Rheinischen Landesmuseum Bonn. Bonn.

Beunder, P.C., 1987. Vlootschouw. Enkele opmerkingen over de Romeinse vloot (Classis Germanicus) in Nederland of het westen van de provincie Germania Inferior. Westerheem 36, 207-212.

Bink, M., 2006. Het Effatha-terrein onderzocht. De opgraving in 2005 door BAAC. In: W. de Jonge, J. Bazelmans en D. de Jager (eds.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht, 281-289.

Bloemers, J.H.F., 1978. Rijswijk (Z.-H.), ‘De Bult’. Eine Siedlung der Cananefaten. (Nederlandse Oudheden 8). Amersfoort.

Bloemers, J.H.F., 1980. Engelse drop. Een poging tot ontleding van het Romanisatieproces in Nederland. Westerheem 29, 152-173.

Bogaers, J.E., 1971. Voorburg-Arentsburg: Forum Hadriani. Oudheidkundige Mededelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 52, 128-138.

Bogaers, J.E., 1974. Romeinse militairen aan het Helinium. Westerheem 23, 70-78.

Buijtendorp, T.M., 2006. De voorganger van Forum Hadriani. Van inheemse nederzetting tot centrale plaats. In: W. de Jonge, J. Bazelmans en D. de Jager (eds.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht, 66-77.

Buijtendorp, T.M., 2006. Bouw en groei: de bloeiperiode van Forum Hadriani. In: W. de Jonge, J. Bazelmans en D. de Jager (eds.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht, 95-116.

Casey, P.J., 1986. Understanding Ancient Coins. Londen.

Casey, P.J., 1988. The interpretation of Romano-British site finds. In: P.J. Casey and R. Reece (eds.), Coins and the Archeologist. 2de  druk. Londen, 39-56.

Crawford, M., 1970. Money and Exchange in the Roman World. Journal of Roman Studies 60, 40-48.

Ginkel, E.J. van, en J.A. Waasdorp, 1992. De archeologie van Den Haag. Deel 2: de

Romeinse tijd. (VOM- reeks 1992-4). Den Haag.

Haalebos, J.K., 1974. Romeinse rommeltjes uit Rozenburg. Westerheem 23, 78-82

Hessing, W.A.M., 1995. Het Nederlandse kustgebied. In: T. Bechert en W.J.H. Willems (eds.), De Romeinse rijksgrens tussen Moezel en Noordzeekust. Utrecht, 89-101.

Hobley, B., 1983. Roman urban defences: a review of research in Britain. In: J. Maloney en B. Hobley (eds.), Roman urban defences in the West. (CBA research report 51). Londen,

78-84.

Holwerda, J.H., 1923. Arentsburg. Een Romeinsch  militair vlootstation bij Voorburg. Leiden.

Holwerda, J.H., 1936. De Nederzetting te Naaldwijk. Oudheidkundige Mededeelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 17, 19-37.

Holwerda, J.H., 1938. Een Bataafsch dorp op Ockenburgh bij Den Haag. De opgraving der nederzetting. Oudheidkundige Mededeelingen uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 19, 11-60.

pag. 15>>

Hopkins, K., 1980. Taxes and Trade in the Roman Empire (200 B.C.- A.D. 400). Journal of Roman Studies 70, 101-125.

Johnson, S., 1983. Late Roman urban defences in Europe. In: J. Maloney en B. Hobley (eds.), Roman urban defences in the West. (CBA research report 51). Londen, 69-77.

Kersing, V.L.C., en J.A. Waasdorp, 1995. Romeinen op Ockenburg II, vervolg van een archeologisch onderzoek in 1994. (Gemeente Den Haag, Dienst Stadsbeheer, afd, Archeologie). Den Haag.

Kropff, A.C., en J.P.A. van der Vin, 2003. Coins and continuity in the Dutch River area at the end of the third century AD. European Journal of Archaeology 6, 55-87.

Londen, H. van, 2006. De inheemse bewoning in het landelijk gebied. In: W. de Jonge, J. Bazelmans en D. de Jager (eds.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht, 131-139.

Milot, C., 2006. Een dag uit het leven van een inwoner van Forum Hadriani, 1850 jaar geleden. In: W. de Jonge, J. Bazelmans en D. de Jager (eds.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht, 365-370.

Nicolay, J.A.W., 2005. Gewapende Bataven. Gebruik en betekenis van wapen- en paardentuig uit niet-militaire contexten in de Rijndelta (50 voor tot 450 na Chr). Amsterdam.

Nieuwhof, A., 2004. Een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven aan de Zuidweg te Naaldwijk (Z.-H.). (ARC publicaties 94). Groningen.

Pabon, N.J., 1934. Resultaten van het onderzoek met de spade naar den Rijnweg op Meer en Bosch, Ockenburgh en bij het Nieuwe Slag. Jaarboek Die Haghe, 10-23.

Polak, M., R.P.J. Kloosterman en R.A.J. Niemeijer, 2004. Alphen aan den Rijn- Albaniana 2001-2001. Opgravingen tussen de Castellumstraat, het Omloopkanaal en de Oude Rijn. (Libelli Noviomagensis 7). Nijmegen.

Reece, R., 1979. Zur Auswertung und Interpretation römischer Fundmünzen aus Siedlungen. In: Studien zu Fundmünzen der Antike 1. Berlijn, 175-195.

Stuurman, P., 1965. Romeinse vondst bij Ockenburg (Loosduinen). Westerheem 14, 8-10.

Vin, J.P.A. van der, en T.M. Buijtendorp, 2006. Munten en schatten. Romeinse munten in Voorburg. In: W. de Jonge, J. Bazelmans en D. de Jager (eds.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht, 307-321.

Waasdorp, J.A., en K. Zee, 1988. De vergeten verzamelingen van Ockenburgh. Romeinse vondsten uit ’s-Gravenhage. (VOM- reeks 1988-4). Den Haag.   

Waasdorp, J.A., 1997. ’s-Gravenhage- Ockenburgh 2. Holland 29, 399-401.

Waasdorp, J.A.,  1999. Van Romeinse soldaten en Cananefaten. Gebruiksvoorwerpen van de Scheveningseweg. (VOM- reeks 1999-2). Den Haag.

Waasdorp, J.A., 2003. IIII M.P. naar M.A.C. Romeinse mijlpalen en wegen. (Haagse Oudheidkundige Publicaties 8). Den Haag.

Waasdorp, J.A., 2006. Romeinse infrastructuur. De ontsluiting van het Cananefaatse gebied. In: W. de Jonge, J. Bazelmans en D. de Jager (eds.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht, 117-130.

Wacher, J.S., 1983. Some thoughts on Roman urban defences in the West. In: J. Maloney en B. Hobley (eds.), Roman urban defences in the West. (CBA research report 51). Londen, 141-144.

Webster, G., 1975. Small towns with defences. In: W. Rodwell en T. Rowley (eds.), The ‘Small towns’ of Roman Britain. (B.A.R. 15). Oxford, 53-66

Webster, G., 1983. The function and organisation of late Roman civil defences in Britain. In: J. Maloney en B. Hobley (eds.), Roman urban defences in the West. (CBA research report 51). Londen, 118-120.

Willems, W.J.H., 1981. Romans and Batavians. A regional Study in the Dutch Eastern River Area, I. Berichten ROB 31, 7-217.

Willems, W.J.H., 1984. Romans and Batavians. A regional Study in the Dutch Eastern River Area, II. Berichten ROB 34, 39-331.